Organisaties verwerken steeds meer persoonsgegevens. Klanten zijn kritischer, toezichthouders alerter en ondernemers krijgen vaker vragen over hun privacy-aanpak. Daardoor ontstaat bij veel kleine bedrijven dezelfde vraag: wie pakt binnen onze organisatie de privacyrol op?
In grotere organisaties zien we functies als privacy officer of zelfs Functionaris Gegevensbescherming (FG). Maar bij zzp’ers en mkb‑bedrijven is dat ingewikkelder. Daar neemt de directeur die rol geregeld zelf op zich — soms uit noodzaak, soms uit overtuiging en soms omdat het de meest praktische oplossing is.
De vraag is dan: is dat wel verstandig? En belangrijker: mag het?
Dit artikel geeft een helder antwoord door drie dingen uit te leggen:
- wat het verschil is tussen een privacy officer en een FG
- waarom een directeur nooit FG kan zijn
- wanneer een directeur wél een goede privacy officer kan zijn
1. Privacy officer vs. Functionaris Gegevensbescherming (FG)
Veel ondernemers gebruiken deze termen door elkaar, maar de functies zijn fundamenteel verschillend.
De privacy officer (PO)
Een privacy officer is een interne deskundige die de organisatie helpt met AVG‑compliance. Denk aan:
- risico’s signaleren
- DPIA’s uitvoeren
- beleid opstellen
- medewerkers adviseren
- processen verbeteren
Belangrijk: een privacy officer is geen toezichthouder en heeft geen wettelijke onafhankelijkheidseis.
De Functionaris Gegevensbescherming (FG)
Een FG (DPO in Europees jargon) is wél een wettelijke toezichthouder. De FG moet:
- onafhankelijk zijn
- vrij van belangenconflicten
- advies en toezicht combineren
- rechtstreeks rapporteren aan de hoogste leiding
De rol is vastgelegd in de AVG (art. 37–39) en kent strikte eisen.
Een FG moet zonder druk of instructies kunnen werken.
Daar zit meteen het belangrijkste verschil.
2. Kan een directeur FG zijn?
Nee. Absoluut niet.
Een FG moet volledig onafhankelijk toezicht houden. Maar een directeur:
- bepaalt de strategie
- stelt budgetten vast
- beslist over ICT-systemen en leveranciers
- stuurt medewerkers aan
- is verantwoordelijk voor alle bedrijfsprocessen
Dat betekent dat een directeur toezicht zou moeten houden op zijn of haar eigen beslissingen — en dat mag niet. Dit is een klassiek belangenconflict, waardoor een directeur nooit de rol van FG kan vervullen.
Dit standpunt is meerdere keren bevestigd door privacy toezichthouders in de EU. Zelfs bij kleine organisaties hoort een FG altijd een onafhankelijke positie te hebben.
3. Kan een directeur wél privacy officer zijn?
Ja, dat mag. En voor veel kleine organisaties is het zelfs logisch.
Omdat een privacy officer:
- géén wettelijk vastgelegde toezichthoudende rol heeft
- vooral adviseert, ondersteunt en organiseert
- binnen bestaande functies kan worden gecombineerd
De AVG stelt geen eisen die dit verbieden. Voor veel zzp- en mkb-bedrijven is het zelfs de meest haalbare oplossing.
Maar: het moet wél zorgvuldig worden ingericht.
Voordelen van de directeur als privacy officer
1. Snelle besluitvorming
Een directeur kan direct knopen doorhakken over beveiliging, ICT, leveranciers en investeringen. Geen lange lijnen — wel snelheid.
2. Privacy wordt strategisch verankerd
Als de directeur zelf de rol oppakt, wordt privacy onderdeel van het fundament van de organisatie. Niet iets naast de bedrijfsvoering, maar erin verweven.
3. Volledig overzicht op processen
Directeuren kennen de organisatie door en door, waardoor risico’s sneller zichtbaar worden.
4. Kostenbesparend
Een externe specialist inhuren is waardevol, maar niet altijd haalbaar. Een interne rol is dan een praktische oplossing.
Nadelen en risico’s
1. Tijdgebrek
Privacy werk vraagt continu aandacht: documentatie, DPIA’s, incidentmeldingen, awareness. Voor veel directeuren is dit een uitdaging naast de dagelijkse operatie.
2. Mogelijke gebrek aan verdieping
AVG is complex. Zonder tijd om kennis bij te houden, kan de kwaliteit van het privacybeheer achterblijven.
3. Onduidelijke rolverdeling
Als de verantwoordelijkheden niet scherp zijn vastgelegd, verdwijnt privacy tussen de werkzaamheden.
4. Kans op verwarring met een FG-rol
Medewerkers denken soms dat de directeur automatisch “de FG” is. Dat kan bij audits en controles serieuze problemen opleveren.
5. Meldingsbereidheid kan dalen
Medewerkers melden fouten of datalekken soms minder snel bij de directeur zelf.

Wanneer is het wél een goed idee?
Een directeur als privacy officer werkt uitstekend wanneer:
- de organisatie klein en overzichtelijk is
- de directeur intrinsiek gemotiveerd is
- privacy onderdeel is van kwaliteits- of ISO‑beleid
- risico’s beperkt zijn
- er periodieke externe ondersteuning is
Voor veel mkb‑bedrijven is dit dus een hele goede en realistische constructie.
Wanneer is het beter van niet?
Niet doen als:
- de organisatie snel groeit
- er veel of bijzondere persoonsgegevens worden verwerkt
- er complexe ICT aanwezig is
- sectorregels hoge eisen stellen (zorg, onderwijs, finance)
- onafhankelijkheid steeds belangrijker wordt
- de directeur geen specifiek privacy kennis heeft
Dan is een aparte privacy officer, interne medewerker of externe ondersteuning veel beter.
Risico’s beperken: zo doe je dat
1. Leg de rol duidelijk vast
Zet op papier:
- taken
- verantwoordelijkheden
- bevoegdheden
- grenzen
- wat de rol nadrukkelijk níet is (vooral: geen FG)
2. Plan periodieke externe reviews
Bijvoorbeeld voor DPIA’s, incidentanalyses of interne audits.
3. Documenteer alle afwegingen
Toon aan dat privacy onderdeel is van je governance en risicobeheersing.
4. Zorg voor continue kennisontwikkeling
AVG, cybersecurity en datapraktijken veranderen continu.
Conclusie
Een directeur kan nooit Functionaris Gegevensbescherming (FG) zijn — daarvoor ontbreekt onafhankelijkheid.
Maar een directeur kán wél privacy officer zijn, en in veel kleine organisaties is dat een prima en effectieve oplossing.
De sleutel is duidelijkheid:
heldere rolafspraken, goede documentatie en zo nodig externe ondersteuning. Zo blijft privacy niet alleen een verplichting, maar een waardevolle investering in vertrouwen en professionaliteit.
Is het slim:
Vaak niet omdat de onafhankelijkheid lastig te borgen is. Kennis vaak ontbreekt. Het er bij inschiet omdat het geen onderdeel van het primair proces gemaakt is. De directeur als privacy officer kan dan een risico vormen.



